Les Murray

Australië

(Bunyah, New South Wales, 1938) werd geboren op een boerderij in de subtropische streek tussen de Great Dividing Range en de Stille Oceaan. Het contrast tussen de landelijke, haast negentiende-eeuwse samenleving waarin hij zijn jeugd doorbracht, en de urbane civilisatie die hij als student in Sydney ontdekte – zelf sprak hij van een ‘cultuurshock’ – vormt een van de fundamentele spanningsbogen in zijn poëzie. Murray voelde zich niet echt thuis in de academische wereld, maar dankzij een allesverslindende nieuwsgierigheid verwierf hij er wel de eruditie die zijn veelzijdige oeuvre mogelijk maakte.

Les Murray debuteerde in 1965 en publiceerde tot nu toe een tiental omvangrijke bundels; als laatste verscheen in 1997 Subhuman Redneck Poems, waarvoor hij de Britse T.S. Eliot-prijs ontving. Daarnaast schreef hij een roman in 140 sonnetten (The Boys Who Stole the Funeral, 1980), verscheidene essaybundels en verzorgde hij onder meer The New Oxford Book of Australian Verse (1986). Een roman in ca. 10.000 verzen over een Duits-Australische jood, Fredy Neptune, staat op stapel voor de herfst van 1998.

Murray, die zichzelf wel een ‘headfarmer’ noemde, schijnt zich ten doel te hebben gesteld de gehele schepping te bezingen: geen dier zo nietig – een slak, een teek of een trekvogel – geen menselijke verschijning zo banaal of ongewoon – zijn autistische zoon, Hell’s Angels, een licht pedofiele leraar – of het krijgt wel een plekje in zijn poëtische ark. Zijn bundels zijn dan ook steevast opgedragen aan ‘the Glory of God’. Op smalende ‘verlichte’ critici antwoordde hij met karakteristieke humor door zijn laatste publicatie, A Working Forest (selected prose, 1997), te voorzien van het motto: ‘To the Greater Glory of God’. De beste typering van zijn poezië blijft die van Derek Walcott: ‘Er is momenteel geen Engelstalige poëzie die zo is geworteld in het sacrale, zo uitbundig lyrisch en tegelijk zo innig en gemoedelijk.’

Maarten Elzinga

Publicaties (o.a.): The Ilex Tree (1965); The Weatherboard Cathedral (1969); Poems Against Economics (1972); Lunch and Counter Lunch (1974); Selected Poems (1976); Ethnic Radio (1977); The Boys Who Stole the Funeral (1980); The Vernacular Republic: Poems 1961-1981 (1982); Equanimities (1982); The People’s Otherworld (1983); Selected Poems (1986); The Daylight Moon (1987); Dog Fox Field (1990); The Paperbark Tree. Selected Prose (1992); Translations from the Natural World (1992); Collected Poems (1992); Subhuman Redneck Poems (1996); De slabonenpreek (vertaling Maarten Elzinga, 1997).