Erik Spinoy

België

(Aalst, 1960) is een denkende dichter die zich, waar het denken ophoudt, beroept op poëzie en taal. Als denker is hij geïnteresseerd in de grenzen van het kennen, en als dichter vraagt hij zich af of de poëzie die grens misschien zou kunnen slechten.

Het gaat in Spinoys poëzie steeds om de verhouding tussen mens en werkelijkheid. Wie de werkelijkheid wil weergeven, ontkomt niet aan de leugen en het bedrog van de eigen vooringenomenheid: om de werkelijkheid te representeren moet ze tegelijkertijd ontmaskerd worden. Door haar te spiegelen aan die van een ander, bijvoorbeeld. Vaak refereert Spinoy daarom aan illustere voorgangers als Rilke, HöIderin, Trakl of Van Ostaijen. Ook voor deze creatieve wedijver geldt dat Spinoy ontmaskert wat hij aan voorstellingen verwerkt en ontregelt wat hij aan vormen gebruikt.

Filosofie en literatuur zijn voor Spinoy elkaar overlappende domeinen. Hij verwijst naar Kant, Lyotard en poststructuralistische taaltheorieën en komt dan tot uitspraken als ‘een eerlijk en zelfbewust gedicht verstoort de illusie van verstaanbaarheid door de spiegel te tonen waarmee de illusie verwekt wordt.’ Hiermee lijkt elk streven naar realisme, naar expressie en communicatie in de poëzie wel van tafel geveegd. Het gedicht is geen weerspiegeling van iets dat al bestaat maar creëert zelf nieuwe betekenis en stelt dat proces van betekenisgeving centraal.

Spinoy beschouwt de taal als een instrument waarmee je, tegen beter weten in, kunt proberen te ontsluieren wat niet ontsluierd kan worden. Misschien brengt poëzie ‘de wereld dichter bij / die nooit bewaarheid wordt’. Spinoys poëzie is vol van weelderige klankrijkdom en dubbelzinnige betekenissen. Ze getuigt van de sympathieke neiging tot het bewaren van mooie woorden die in onbruik dreigen te raken en van een fascinatie voor orakeltaal. Maar nooit gaat de rem helemaal los. Spinoy schrijft beheerste en ironische poëzie, zoals je dat van een denkende dichter verwachten kunt. Het is poëzie van omtrekkende bewegingen, want alles wat je benoemt. ontsnapt je onherroepelijk.

Poëzie maakt het denken lichter, zou Spinoys adagium kunnen zijn. ‘Ons past bescheidenheid tegenover het mysterie van het zijn,’ zegt hij in een interview, ‘maar wat klinkt dat verschrikkelijk zwaar. Dat wil ik in mijn gedichten niet.’

Mirjam van Hengel

Publicaties (o.a.): De jagers in de sneeuw (1986); Susette (1990); Fratsen (1993); De smaak ervan (1995).