Matthew Sweeney

Ierland

(County Donegal, 1952) In het oudierse epos Sweeney Astray is Sweeney een krankzinnige koning uit Ulster die denkt dat hij kan vliegen. Hij zat dan ook het grootste deel van zijn tijd in bomen zijn (on)wijsheden voor zich uit te kakelen. Het verhaal wil dat hij na veel omzwervingen door een monnik tot het katholicisme bekeerd werd, maar dat hij ook daarna nog veel van zijn anarchistische karakter behield. Ziedaar de geschiedenis en psyche van Ierland in de notedop.

De Ierse dichter Matthew Sweeney, in een van de negen provincies van Ulster, geboren, heeft precies één gedicht over zijn naamgenoot geschreven. In dat gedicht, ‘Sweeney’, wordt de spreker langzaam maar zeker een vogel en eindigt hij uiteindelijk in de boom tegenover zijn huis. Het is een humoristisch gedicht dat typerend is voor zijn werk en zijn methode: Matthew Sweeney schrijft bijna nooit autobiografische gedichten (voor zover ik weet kan hij niet vliegen), hooguit stopt hij kleine details uit zijn eigen leven in een poëtische wereld die volstrekt anders is dan zijn wereld.

De gedichten van Sweeney, die al ruim twintig jaar in Londen woont, worden in Engeland en Ierland wel eens omschreven als ‘mysterieuze verhaaltjes’. Ze kunnen handelen over zulke uiteenlopende personages als een in-memoriam schrijver die zijn In memoriams ‘vooruit’ schrijft, een lijk dat tijdens zijn eigen dodenwake gedwongen wordt een partijtje poker mee te spelen of een man die terechtstaat wegens het lezen van een dichtbundel achter het stuur op de snelweg. Een typisch Sweeney-gedicht ontwikkelt zich vanuit een vertrouwde situatie, beschreven in een bijna koele, narratieve stijl. Maar onderweg verandert het ongemerkt in een ongewoon verhaal dat meestal geen einde of verklaring heeft. In een recent interview zei Sweeney over zijn werkwijze het volgende: ‘Als je jezelf niet verrast, hoe denk je dan in godsnaam een ander te verrassen.’ Het zal dan ook niemand verbazen dat hij ook gedichten voor kinderen schrijft.

Alle gedichten hebben een verteller. Dat is nooit de dichter zelf, ook niet als de verteller toevallig ‘ik’ heet. Zijn inspiratie vond Sweeney in de rijke traditie van Ierse verhalenvertellers, met wie hij al in zijn jeugd in het uiterste noordwesten van de republiek Ierland in contact kwam. Ierse verhalen hebben de neiging grote veranderingen te ondergaan tijdens het doorvertellen en na verloop van tijd larger than life te worden. Het spelen van een rol is dan ook een groot pre in een Ierse yarn. Bij Sweeney wordt het theatrale aspect van de yarn meestal vervangen door het mysterieuze, al kun je zijn gedichten zeker ook wel zien als dramatische monologen.

In het voorwoord van Emergency Kit: Poems for Strange Times, een bloemlezing die hij samen met Jo Shapcott voor Faber and Faber samenstelde, typeert Sweeney in feite de beweegredenen achter zijn eigen werk: ‘TV, sensatiepers, films, virtual reality, Internet – ze hebben ons allemaal aangemoedigd het buitengewone als iets vanzelfsprekends aan te nemen. We zagen mannen op de maan lopen, we spreken over grote afstanden met elkaar, we doen zaken en beginnen onze relaties met anderen op Internet. Is het dan niet onvermijdelijk dat er tegenwoordig een poëzie geschreven wordt die ons bevrijdt van de grenzen van het realisme?’ Sweeney’s vraag is gelijk een antwoord.

Peter Nijmeijer

Publicaties:

Dichtbundels: A Dream of Maps (1981); A Round House (1983); The Lame Waltzer (1985); Blue Shoes (1989); Cacti (1992); The Bridal Suite (1997).