Toon Tellegen

Nederland

(Brielle, 1941 ) is huisarts te Amsterdam. Hij debuteerde in 1980 als dichter en bouwde sindsdien een groot oeuvre op. Sinds 1984 is hij ook een (veelgeprezen) kinderboekenschrijver.

Tellegens gedichten lijken op het eerste gezicht kleine vertellingen in vrije versvorm, met personages, tamelijk veel dialogen, en veelal ook een soort plot. Ze zijn verrassend, lichtvoetig en absurdistisch. Wie beter kijkt, ziet dat de vertellingen meestal ook overdenkingen zijn, en dat Tellegens absurdisme nergens vrijblijvend is. Hoewel er veel te lachen valt in zijn gedichten, zijn ze tegelijk ook van een diepe ernst en snijden ze voortdurend vragen aan als ‘Weet iemand wat liefde is?’ of ‘Hoe kom ik ooit te weten wat ik denk?’

Gedicht na gedicht roept Toon Tellegen een wereld op die in vergelijking met de wereld van alledag nogal vreemd is, maar die door zijn grillige, maar ijzeren logica een grote vanzelfsprekendheid krijgt als je hem eenmaal betreden hebt. Het is een wereld waarin bomen op pad gaan, waarin een pas geschreven gedicht opstaat en de dichter bekijkt, waarin een mug eist: sla mij dood!, waarin een rechte weg steeds rechter wordt en waarin de vrede in een blauwe jas over straat gaat. Tellegens gedichten zijn wel eens vergeleken met droomverslagen. Maar eerder dan dat hij dromen navertelt, lijkt Tellegen de taal ‘op zijn woord’ te nemen. Door gewone en vanzelfsprekende woorden en uitdrukkingen in hun letterlijke betekenis te gebruiken, maakt hij ze ineens ongewoon, en intrigerend: ‘De afstand tussen jou en mij / hebben ze opgemeten.’ Ook worden abstracte zaken en gevoelens concreet gemaakt of zelfs gepersonifieerd: ‘De jaloezie was jong, / ze dampte nog.’ Marjoleine de Vos schreef over dit alles in NRC Handelsblad: ‘Het lijkt Toon Tellegen soms te lukken om Nederlandse woorden te vertalen in het Nederlands – in een nog ongebruikt Nederlands, een taal die misschien uiteindelijk ontworpen is voor alledag, maar die nu, in deze gedichten nog een beetje uitgeprobeerd wordt, om eens te kijken wat ie doet.’ En: ‘Tellegens gedichten vegen het stof af van hetvertrouwde en gewone en maken daardoor alles nieuw – angstaanjagend nieuw soms. Vertrouwd is tenslotte ook fijn. Er is hier, lijkt wel, een hogere gevoeligheid aan het werk, een dichter die een zintuig extra heeft, die ons een blik kan gunnen in de wereld waar de woorden verblijven als ze niet bij ons zijn, maar gewoon onder elkaar. En soms schikken ze zich dan zo dat zij en wij elkaar begrijpen – of dat denken.’

Erik Menkveld

Publicaties (o.a.): De zin van een liguster (1980); De aanzet tot een web (1981); Beroemde scherven (1982); De andere ridders (1984); Ik en ik (1985); Mijn winter (1987); In N. en andere gedichten (1989); Een langzame val (1991); Een dansschool (1992); Tijger onder de slakken (1994); Als we vlammen waren (1996); Over liefde en over niets anders (1997).